BY JORSSEN AND METROPOOL LET OP, GELD LENEN KOST OOK GELD.*

Welke autolichten gebruik je wanneer?

Elke auto is uitgerust met verschillende types lichten. Toch worden deze lichten vaak verkeerd gebruikt. Welke soorten autolichten zijn er? En hoe weet ik wanneer ik welke lichten moet gebruiken?

Soorten autolichten en wanneer gebruiken?

Dagrijverlichting

De dagrijverlichting wordt gebruikt om een naderende auto overdag beter zichtbaar te maken en is sinds 2011 verplicht op alle nieuwe auto’s. Ook de achterlichten moeten verplicht branden in deze stand. Wanneer de chauffeur overschakelt op andere lichten, gaan ze automatisch uit. Voor de dagrijlichten is er geen symbool op het dashboard en kan je als chauffeur niet zien of ze zijn ingeschakeld.

Parkeerlichten of Standlichten

Andere lichten die ervoor zorgen om gezien te worden door andere weggebruikers zijn de parkeerlichten of ook wel standlichten genoemd. De standlichten zijn aanwezig om de breedte van je wagen aan te geven. Wanneer je je voertuig buiten de bebouwde kom of op de rijbaan geparkeerd staat, is het verplicht om de parkeerlichten in te schakelen. Dit is ook verplicht wanneer de zichtbaarheid van je auto minder dan 200 meter is. Als de parkeerlichten zijn ingeschakeld, branden de achterlichten, de verlichting op het kentekenplaat en de twee kleine lampjes aan de voorkant.

Dimlicht

De Dimlichten zorgen voor 3 zaken: dat je jouw tegenliggers niet kan verblinden, dat je zichtbaar bent voor andere weggebruikers en dat je zelf beter kan zien. Het zicht van de bestuurder wordt verbeterd tot ca. 30 meter. De dimlichten zijn de standaard lichten die je gebruikt als het donker is. Dit betekent vanaf het schemerdonker in de avond tot het ‘s morgens weer licht wordt. Bij mist, hagel, regen of sneeuw waarbij het zicht wordt beperkt tot minder dan 200 meter, is het verplicht om overdag de dimlichten aan te steken. De dimlichtstand zorgt ervoor dat zowel de koplampen, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting branden.

Grootlicht

De grootlichten worden ook verstralers of pharen genoemd. Deze zorgen ervoor dat je zichtbaar bent voor andere weggebruikers en dat je zelf beter kan zien. Het zicht van de bestuurder kan hierbij verbeteren tot minstens 100 meter. Wanneer je verder kan zien dan 100 meter, mag je de grootlichten niet gebruiken. Bovendien is het ook niet toegestaan als je een auto volgt op minder dan 50 meter. Dit komt omdat je op deze manier de chauffeur voor je kan verblinden. 

Ook mag je deze niet gebruiken wanneer je een tegenmoetkomende weggebruiker nadert zoals andere auto’s, fietsers, treinen, trams of boten. Daarnaast is het gebruik van de grootlichten ook niet toegestaan als een tegemoetkomende weggebruiker knippert met de lichten om aan te geven dat hij of zij verblindt wordt.

Mistlicht

Het achtermistlicht gebruik je bij mist, sneeuw of felle regen waarbij het zicht minder dan 100 meter is. In alle andere omstandigheden kunnen de achtermistlichten de bestuurders verblinden en is het verboden deze te gebruiken. Steeds meer auto’s hebben ook mistlichten vooraan maar zijn niet verplicht. Deze gebruik je ook enkel alleen bij mist, sneeuw of felle regen zoals de achtermistlichten.

Waarschuwingslichten 

De 4 waarschuwingslichten of ook wel 4 richtingaanwijzers genoemd, worden gebruikt om aan te geven dat je wagen defect is of om andere bestuurders te waarschuwen voor een ongeval, een file of een lading die op de weg ligt. Bestuurders van een schoolbus schakelen de waarschuwingslichten aan om aan te geven dat kinderen in- of uitstappen.

Automatische inschakelende verlichting

De automatisch inschakelende verlichting zorgt ervoor dat het dimlicht ingeschakeld wordt via een lichtsensor zonder dat je daarvoor iets hoeft te doen. Vaak is er een extra stand op de lichtschakelaar in de wagen om jouw automatische verlichting aan te zetten. De dagrijverlichting brandt ook wanneer de dagrijverlichting uit staat maar de automatisch inschakelende verlichting actief is. Bij invallende duisternis zal deze verlichting automatisch aan gaan. 

Mist wordt niet altijd herkend door de lichtsensoren en daarom is het beter om bij regen en mist handmatig voor dimlichten te kiezen. Dit is een ideale oplossing omdat we in de praktijk zien dat overdag de verlichting inschakelen vaak vergeten wordt wanneer men door een tunnel rijdt of bij slecht zicht overdag. Dit betekent dat je dan volgens de wet zonder verlichting rijdt in omstandigheden waarin dit wel verplicht is.

Zo kan je zelf je autolichten controleren

Zien en gezien worden is zeer belangrijk voor automobilisten. Slechts 1 op 10 rijdt met een defect dimlicht en ook een foute afstelling van de koplampen kunnen problemen veroorzaken. Met een foute instelling van de koplampen is jouw zicht op de weg niet optimaal of kan je andere verkeersdeelnemers verblinden.

Maar hoe stel ik mijn koplampen dan juist af? Zijn jouw lichten goed afgesteld? Dit doe je het beste met nog een ander persoon erbij.

Controleren in 3 stappen:

1. Zet de auto klaar

Zet je wagen op een vlakke plek en zorg er voor dat er geen zware spullen in je koffer zitten. Controleer vervolgens of je bandenspanning correct is. Daarna ga je in de auto zitten en zet je de afstelknop van de koplampen op nul indien dit aanwezig is.

2. Zet je wagen in de juiste positie

Parkeer je wagen op 3 à 4 meter afstand van een donkere muur of garagedeur. Zorg dat je auto op een vlakke ondergrond staat en met de voorkant naar de muur gericht.

3. Test of je verlichting werkt of niet 

Laat de andere persoon controleren of alle verlichting werkt door ze om te beurten in te schakelen. De dagrijlichten, de standlichten, het dimlicht, het grootlicht, het mistlicht, de richtingaanwijzers, het achteruitrijlicht en het derde stoplicht. Zet als laatste je koplampen aan en kijk na of de koplampen werken en of de lichtstralen op dezelfde hoogte komen. Wanneer dit niet het geval is dan is één van je koplampen niet juist afgesteld. Het beste kan je je koplampen door een specialist laten afstellen. 

4. Koplampen juist afgesteld?

Parkeer je auto voor een donkere muur en plak een stukje tape op de plaatst waar de lichten komen. Rijdt dan 10 meter achteruit en meet daarna wat het verschil is tussen het stukje tape en de plaats waar de lichten dan schijnen. Wanneer dit tussen de 10 en 20 meter is dan zijn jouw koplampen goed afgesteld.